
1. Pino is een papegaai dat/die/wie leven in een dierenwinkel in Rotterdam.
2. Pino is een zeer geliefd vogel.
3. Hij is namelijk erg aardig en hij laten zich aaien als een hond.
4. Vorige week is er iets ergs gebeurd/gebeurt met deze/dit papegaai.
5. Als/Toen worden hij namelijk meegenomen door/van twee dief.
6. Voor de eigenaar en de klanten van de dierenwinkel in Amsterdam zijn (Imperfekt) deze/dit diefstal natuurlijk een zwaar klap.
7. Nu kunnen ze opgeluchd/opgelucht ademhalen, omdat/want Pino is teruggevonden.
8. De twee dief hadden de papegaai verkopen (Perfekt) aan een man dat/die/wie de papegaai aan zijn dochter willen (Imperfekt) geven.
9. Een ooggetuige hebben de papegaai op de schouder van deze/dit dochter herkend/herkent.
10. Nu is de papegaai weer terug waar hij thuishoren.
11. De eigenaar, de medewerker (Plural) en de klant (Plural) van de dierenwinkel zijn dan ook erg blij en opgeluchd/opgelucht.
12. Wie Pino met eigen ogen willen bewonderen, kunnen hem vinden in Rob’s Dierenshop in Rotterdam.
