
- Ik houden van pannenkoeken.
- Ik denken (Imperfekt) altijd, dat pannenkoeken ‘typisch Nederlands’ zijn (Imperfekt).
- Niets is weinig (Steigerungsform) waar.
- Bijna ieder/iedere land hebben een nationaal/nationaale/nationale variant van de pannenkoek.
- Een traditioneel/traditioneele/traditionele recept voor een nederlands/nederlandse/Nederlands/Nederlandse pannenkoek is een pannenkoek met stroop en poedersuiker.
- Het dochtertje van mijn/mijne goed (Superlativ) vriendin vinden dat erg lekker.
- Er is/zijn niet alleen maar zoet/zoete pannenkoeken; je kunnen in sommige/sommigen eetgelegenheid ook hartig/hartige pannenkoeken bestellen.
- Hartige pannenkoeken lijken op pizza.
- Ze worden vaak beleggen met paprika (Plural), tomaat (Plural) en kaas.
- Hoe eten Duitsers/Duitsen hen/hun pannenkoeken het graag (Superlativ)?
- Dat weten ik eerlijk zeggen niet.
- Weten (Imperfekt) jullie, dat er 384 (schrijf in letters) pannenkoekenrestaurants zijn in Nederland/Nederlands?
