De herfst (22-09-2025)

Bron van de afbeelding
  1. Gisteren heeft/is de herfst weer beginnen.
  2. Het is het seizoen van de vallend/vallende blad.
  3. We hebben/zijn een wandeling door het bos maken.
  4. Weten (Imperfekt) jullie, dat het maken van een boswandeling goed is voor jou/jouw gezondheid?
  5. Het is goed als/dan de heel/heele/hele dag lui op de bank liggen.
  6. Je kunnen in de herfst ook altijd lekker ‘uitwaaien’.
  7. ‘Uitwaaien’ is een typisch/typische nederlands/Nederlands/nederlandse/Nederlandse woord.
  8. Het betekenen : een wandeling maken in de wind, vaak aan de kust of op open velden, om de geest op te frissen en te ontspannen.
  9. In het jaar 2022 (schrijf in letters) hebben een journalist van ‘The Washington Post’ een artikel schrijven over deze/dit gezond/gezonde bezigheid.
  10. Als/Toen ik klaar ben met uitwaaien, dan gaan ik na/naar huis/thuis om van een lekker/lekkere pompoensoepje te genieten.
  11. Vroeger houden ik niet van de herfst, maar nu weten ik deze/dit seizoen wel te waarderen (=schätzen).
  12. Het is het seizoen waarin je in het bos de mooist/mooiste kleuren zien