Antwoorden

Hoofdstuk 5 – Verbuiging van het adjectief
  1. Hij heeft een mooie auto.
  2. Mijn kat is aardig.
  3. Jullie hebben een mooi huis.
  4. Wij leven in het beste land.
  5. Ik heb elegante paarden.
  6. Wij lezen een interessant boek.
  7. Ze lezen interessante artikelen in de krant.
  8. Ik zit op de groene stoel.
  9. Ik heb een gelukkige hond.
  10. Hij heeft een ongelukkig hondje.
  11. De groene stoelen zijn lelijk.
  12. De taart is zo lekker!
  13. Zwarte thee is beter dan warm water.
  14. Ik koop vers brood. (kopen = kaufen, buy, acheter)
  15. Mijn jonge buurvrouw heeft groen haar!