Hoofdstuk 5 – Verbuiging van het adjectief
- Hij heeft een mooie auto.
- Mijn kat is aardig.
- Jullie hebben een mooi huis.
- Wij leven in het beste land.
- Ik heb elegante paarden.
- Wij lezen een interessant boek.
- Ze lezen interessante artikelen in de krant.
- Ik zit op de groene stoel.
- Ik heb een gelukkige hond.
- Hij heeft een ongelukkig hondje.
- De groene stoelen zijn lelijk.
- De taart is zo lekker!
- Zwarte thee is beter dan warm water.
- Ik koop vers brood. (kopen = kaufen, buy, acheter)
- Mijn jonge buurvrouw heeft groen haar!
