Antwoorden

Hoofdstuk 2 – Het werkwoord hebben
  1. Heb jij een huisdier?
  2. Ik heb een kat.
  3. Je hebt toch een hond?
  4. Nee, maar mijn broer heeft een hond.
  5. We hebben ook een schildpad.
  6. Wij hebben geen papegaai.
  7. Meneer en mevrouw Citroen, hebt/heeft u een huisdier?
  8. Het heeft geregend.
  9. Hebben jullie dorst?
  10. Nee, maar wij hebben honger.
  11. Brenda heeft geen fiets.
  12. Maar ze heeft een auto.