Hoofdstuk 2 – Het werkwoord hebben
- Heb jij een huisdier?
- Ik heb een kat.
- Je hebt toch een hond?
- Nee, maar mijn broer heeft een hond.
- We hebben ook een schildpad.
- Wij hebben geen papegaai.
- Meneer en mevrouw Citroen, hebt/heeft u een huisdier?
- Het heeft geregend.
- Hebben jullie dorst?
- Nee, maar wij hebben honger.
- Brenda heeft geen fiets.
- Maar ze heeft een auto.
